menu
en
en nl fr

09-12-2013 Interview BMW Daeninck Magazine - Het droomboekje van Charles Dekeyser

HET DROOMBOEKJE VAN CHARLES DEKEYSER Het gaat Charles Dekeyser duidelijk voor de wind. Een steeds groter deel van zijn tijd mag de jonge Gentse bas in het buitenland doorbrengen. Gevraagd voor recitals of uitgenodigd voor een mooie rol in een opera. Er is dus geen ruimte voor een lange zomervakantie aan het strand. Zijn tijdschema zit behoorlijk strak. Rollen instuderen, dagelijks zanglessen volgen, hij moet zijn talen bijschaven om met een smetteloos accent zo vlot mogelijk in het Frans, Italiaans, Duits of het Russisch te kunnen zingen, studeren aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth in Waterloo en tevens werken aan zijn fysische conditie. En genoeg rusten. Evenwicht, daar draait het allemaal om. Tekst Christophe Lambert Als je de 27-jarige rijzige en imposante jongeman ontmoet, voel je dat hij zijn vak ernstig neemt. Niet zomaar een zangtalent dus, maar iemand met een groot potentieel, die volgend jaar, geruggesteund door zangicoon José van Dam, wil schitteren op de Koningin Elisabethwedstrijd. Dm: Het lijkt me wel het leven van een topsporter. Zingen is duidelijk meer dan de juiste toon te kunnen houden? Charles D.: “Je kent ongetwijfeld de lijfspreuk ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’. Wel, als je enige ambitie koestert om niveau te halen in deze métier, dan moet die gedachte een levenswijze worden. Het leven van een klassiek zanger is er een waar discipline centraal in staat. Er kan inderdaad een parallellisme naar de sport getrokken worden, gewoon al omdat je fysiek top moet zijn om twee tot drie uur op de scène te staan en te zingen. Daarom is het aangewezen dat je veel beweegt. Dat je oefeningen doet om ‘body’ te krijgen en dat je vooral leert de grenzen van je lichaam te kennen. Vooral mijn eigen lichamelijke mogelijkheden ontdekken en aftasten, is een leerrijke ervaring. Zoals je ziet, heeft de natuur mij de nodige gestalte meegegeven. Een zanger moet echter leren zijn lichaam optimaal te gebruiken. Een deel van die oefening is het lichaam groter en sterker te maken. Maar belangrijker nog is leren om uit dat lichaam de volle potentie van je stem te halen. Zuivere klanken die ergens diep vanbinnen verscholen zitten en die je moet leren wakker maken. Dat is een proces van jaren, zeker voor iemand die met een basstem zingt. Die bereikt zijn top maar pas als hij boven de 35-40 jaar is. Ik ben dus nog maar een jong veulen.” Dm: Betekent dit dat diverse stemmen zich op verschillende leeftijden maximaal manifesteren? Charles D.: “Absoluut. Maar niet alleen dat. Een stem is uiteraard aangeboren, maar verandert ook en leeftijd speelt hierbij een grote rol. Zo zal je als puber een andere stem hebben dan als kind. En als volwassene weer anders klinken. Tot je stem definitief blijft. Ook de lichaamsbouw speelt een rol, al mag je daar geen regel van maken want het cliché wilt immers dat een bas het lichaam en de thorax heeft van een reus en dat tenoren kleine, dikke mannetjes zijn. Dat is heus niet altijd zo. Een veel correctere uitleg is dat hoe langer de stembanden zijn, hoe lager men kan zingen.  Ook door intensieve training kan een zangstem evolueren. Kijk, er bestaan, eenvoudig uitgelegd, vier grote categorieën van zangstemmen. Je hebt bas, tenor, alt en sopraan, hier nu voorgesteld in een volgorde van lage naar hoge stemmen. Maar in elk van deze vier groepen zitten nog subcategorieën. In het jargon noemen ze het zo dat elke zangstem volgens diverse registers kan gezongen worden. Om het nu bij de basstemmen te houden heb je de diepste ‘basso profondo’, daarnaast de ‘basso noble’, de ‘basso cantate’, de ‘basso buffo’ en tenslotte de ‘bas-bariton’. Binnen een bepaalde stemgroep kan je als zangstem groeien en zeker in de bassen speelt een hogere leeftijd in het voordeel. Bij de sopranen is het verouderingsproces dan weer eerder nadelig omdat een ouder iemand moeilijker die hoge tonen kan vasthouden. De verschuivingen hebben echter ook wel limieten en dus is het in principe niet zo dat een tenor plots gaat uitgroeien tot een bas.” Dm: Hoe heb je ontdekt dat je talent had om te zingen? En vanwaar je keuze voor klassiek? Ik veronderstel dat je als jonge knaap geen Verdi zong onder de douche? Charles D.: “Soms heeft het leven de nodige verrassingen in petto. Ik ben met zang in contact gekomen door... ziek te zijn. Jaren heb ik geleden aan ‘colitis ulcerosa’, een verwante van de ziekte van Crohn, een vrij pijnlijke maar vooral vervelende darmziekte, die mij, meer dan mij lief was, veelal weghield van school en van de speelkameraadjes. Ik was hiervoor uiteraard in behandeling. Na een tijd werd mij de suggestie gedaan om naast de puur medische remedie ook een therapie te volgen die mij moest helpen lichamelijk beter met het probleem om te gaan. Ik ging dus ten rade bij een therapeute die mij allerhande ademhalingsoefeningen en technieken aanleerde. Ook het gebruik van de stem, initieel nog niet de zangstem, maakte deel uit van die therapie. Heel snel bleek dat deze behandeling niet enkel helend was, maar als toetje op de taart bleek ik ook over een beloftevolle zangstem te beschikken. Een dubbel wonder was geschied. Ik ben vandaag volledig genezen en heb de grote passie van mijn leven ontdekt. Dm: Toch blijft het buitengewoon dat een jongeman dan voor een klassieke carrière gaat opteren. Is die keuze je meegegeven door je opvoeding? Charles D.: “Misschien deels wel. Mijn ouders zijn uiteraard geen cultuurbarbaren en zij waren, zoals de meeste mensen, wel vertrouwd met wat men het ‘algemene pallet’ van de klassieke muziek zou kunnen noemen. En delen van het repertoire van de grote zangmeesters zullen hen ook niet onbekend geweest zijn. Ze hielden van muziek en met hen leerde ik de mooiste cd-opnames kennen. Maar ik denk niet dat ik ze daarom specialisten zou durven noemen. Door mij van nabij te volgen, zijn ze nu wel meer in die wereld mee gestapt. En volgen ze, intenser dan voorheen, concerten en opera’s.  Een bijzondere wereld! Intuïtief ben ik er altijd door aangetrokken geweest. Hoe meer ik er mij in verdiepte en er over ging studeren, hoe groter de passie werd. Moderne muziek kan mij die sensatie niet altijd bezorgen. Ik hou bv. erg van de muziek van U2 en ook de Belgische muziek doet het vandaag uitstekend, maar toch mis ik soms authenticiteit en persoonlijkheid in bepaalde stemmen. Daarom misschien dat het genre van de moderne muziek mij, enkele uitzonderingen te na gesproken, minder aanspreekt. Uiteraard heeft het ook met voorkeuren te maken.” Dm: Beweer je nu dat zang enkel kan bekoren als het technisch onderlegd is? Charles D.: “Niet enkel, nee, maar wel voor een groot stuk. Techniek is de basis, het vertrekpunt, broodnodig om te slagen. Zingen is aan de oorsprong misschien wel een gave, maar als je echt goed wilt zingen, kom je er niet met talent alleen. Ik wil het nu even louter over de wereld hebben die ik het beste ken. Een klassieke zangstem moet zichzelf leren ontdekken. Om dat te kunnen, moet hij in eerste instantie leren begrijpen waar de grenzen van zijn stem reiken. Als hij ontzettend veel oefent, zal hij zangtechnisch een enorme vooruitgang kunnen boeken en tot verrassende ontdekkingen komen. Hij zal met zijn stem dingen kunnen doen die hij voorheen nooit voor mogelijk zou gehouden hebben.  Zingen is echter een levensfilosofie. Daarom moet je vooral geduld hebben. Het is niet omdat je een keer uitgenodigd wordt voor een mooie rol in een opera, dat je er al bent. Een klassiek zanger moet zichzelf continu in vraag stellen. Hij moet leren luisteren naar zijn stem, en vooral naar de imperfecties ervan. Het is een trainingsproces in perpetuum, het voelt soms wat aan als Sisyphus met zijn rotsblok. Om vol te houden moet je er echt je ziel voor willen geven. Ik ben zelf ook vooral een gevoelsmens en discipline is dan ook een van de punten waaraan ik continu moet werken.” Dm: De beheersing van de techniek is dus het fundament? Charles D.: “Inderdaad, maar techniek alleen kroont je niet automatisch tot de beste zanger. Om het publiek daadwerkelijk te kunnen bekoren en in extase te brengen, moet je bij machte zijn gevoelsmatig een extra dimensie in je stem te leggen. Die emotionele uitstraling maakt het verschil tussen mooi en adembenemend. Ik ken zangers die technisch top zijn, maar die weinig kunnen boeien. Ik heb altijd geleerd dat je, om goed te kunnen zingen, je nog beter moet kunnen luisteren. Ik spendeer uren om naar de muziek van de klassieke meesters te luisteren. Soms met zang, maar niet altijd. Je laat de muziek insijpelen en probeert de context, de emotionaliteit te vatten die de componist moet geïnspireerd hebben. Dan voel je schoonheid, liefde, verdriet, vrijheid. Dan voel je in de ‘timbres’ van de muziek rode, gele, witte en blauwe tinten. Dan wordt muziek een totaalbeleving. En dan word je als zanger een persoonlijkheid. Iemand van wie je, als je zijn stem hoort, blindelings kan zeggen: “Hé, dat is Charles Dekeyser”. Naar die graad van perfectie wil ik graag streven.” Dm: Je zei daarnet dat zang een evenwicht is tussen geest en lichaam. Moet je je dan in een soort van trance bevinden om goed te kunnen zingen? Charles D.: “Eens je de scène betreedt, komt er sowieso dat gevoel van opperste concentratie. Noem het ‘trance’ of iets anders, als zanger moet je op zo’n momenten volledig gefocust zijn want als operazanger is er de combinatie tussen zingen en acteren. Het vraagt het uiterste van jezelf een opera te spelen. Je bent een soort van koorddanser die nauwlettend alle aspecten van zijn rol onder controle moet houden. Je moet letten op je stem, je uitspraak als je zingt in een vreemde taal, je moet je teksten kunnen memoriseren en bovendien nog eens bewegen en acteren op de bühne. Dit impliceert dat je je ademhaling perfect in balans moet kunnen houden. Een operazanger moet zich daarom geestelijk volledig in een cocon van rust kunnen hullen. Meditatie en yoga maken daarom ook deel uit van mijn dagelijkse routine.” Dm: Er komt ontzettend veel bij kijken. Maar is het allemaal de opofferingen waard? Kan je als klassieke zanger leven van je kunst? Charles D.: “Je kiest als klassieke zanger, zoals bij vele creatieve roepingen, niet voor de makkelijkste weg, dat is zeker. Je moet er absoluut veel opofferingen voor doen. En er zijn zo veel zaken dan nog die niets met het zingen te maken hebben. Financiën bv. zijn voor veel artiesten een continue kopzorg. Je moet er rekening mee houden dat je er in de  opstart van je carrière zonder steun van ouders en sponsors niet komt. Klassieke zang beoefenen is continu investeren. Veelal komt de echte verloning er pas op een leeftijd waar leeftijdsgenoten in andere beroepen al volop geoogst hebben. Er zijn er dus velen die het einde van de rit niet halen. Ik besef dat ik de luxe heb ouders en enkele sponsors te hebben die in mij geloven en die mijn carrière mee helpen lanceren. Ik heb de grote  vrijheid om continu in termen van muziek en zang te mogen denken, waar anderen afgeleid worden omdat ze moeten bijklussen om rond te komen. Ik ben er van overtuigd dat ik mede hierdoor al zoveel vooruitgang heb kunnen maken.” Dm: Je bent veel in het buitenland en begint steeds meer samen te werken met grote namen. Ik citeer graag Marc Minkowski, dirigent van ‘Les Musiciens du Louvre’. Hoe gaat een jonge kerel als jij daar mee om? Charles D.: “Het is natuurlijk ongelooflijk dat ik al uitgenodigd word door een dirigent als Minkowski. Je moet daar een beetje geluk in hebben. Hij heeft mij op een dag eens aan het werk gezien in de Munt, mijn performance  beviel hem, en hij vroeg mij om een auditie te doen. Ik ben nu al een drie keer met hem op tournee geweest, onder andere in Japan. Ik ben er mij degelijk van bewust dat zulke ervaringen voor een jonge zanger eerder uitzonderlijk zijn. Eind oktober vertrekken we opnieuw naar Amsterdam om er de ‘Ramon H-Moll Mis’ van Bach te gaan opvoeren. Ik zing in het stuk als solist een aria. Nauwelijks te geloven dat ik dit nu al mag doen! Daarna  reizen we met de compagnie door naar Wenen. Ik houd van dit leven, met het vele reizen, de drukke agenda, de vele culturele prikkels die ik alom ervaar. Mijn leven is het podium. Hoe ik me ook mag voelen, gelukkig of triest, eens het doek open gaat vergeet ik alles. Het podium is mijn echte thuis. Door aan de zijde te staan van grote zangers, word ik er wel dagelijks aan herinnerd dat ik nog zo veel moet leren. Dat ik bv. nog niet bij machte zou zijn om Verdi of Wagner te zingen.” Dm: Wat is er dan zo speciaal aan Verdi of Wagner? Charles D.: “Om Verdi te kunnen zingen moet je de nodige maturiteit en vooral fysieke kracht hebben. Het zijn pas zangers op hun hoogtepunt die deze rollen aankunnen. Bovendien zijn het rollen, veelal koningen, die charisma en présence vereisen. Ik ben daar nog wat te groen voor. Wanneer je het privilegie krijgt om naast zo een zanger een bijrol te zingen, dan sta je meteen weer met beide voeten op de grond. Een stem liegt nooit. Het zou niet echt geloofwaardig overkomen mocht ik vandaag al zulke rollen op mij nemen.” Dm: Klopt het dat de wereld van de klassieke zang terug aan een opmars bezig is? Charles D.: “Heel zeker. De opera beleeft de laatste jaren een opgemerkte relance. Heel veel jonge mensen  raken terug gefascineerd door de klassieke zang. De Munt in Brussel doet het uitstekend, de opleiding in België is goed en staat internationaal hoog aangeschreven. Het oubollige is vervangen door een frisse, aantrekkelijke en moderne aanpak. Er zijn heel wat jonge theaterdirecteuren die vandaag uitpakken met hedendaagse producties die qua staging en regie een totaaltheater brengen dat thuishoort in onze tijdsgeest. Voor zangers en acteurs een hele verademing.” Dm: Heb je een soort van carrièreplan in gedachten? Charles D.: “Een carrièreplan is in ons vak moeilijk te maken, maar ik heb wel op termijn een lijstje met  desiderata. Ik zou heel graag ooit op de bühne van de Scala in Milaan of de Metropolitan in New York staan. Liefst met een grote rol. En ik zou later graag uitgenodigd worden bij een kennerspubliek om recitals te zingen van bv. Schubert. Ook een oratorium zing ik enorm graag. Het zou ook mooi zijn de Jezusrol uit de Mattheuspassie te mogen vertolken. Maar je mag dan wel een masterplan hebben, de realiteit leert dat je dit zelf niet zomaar honderd procent in handen hebt. Je moet dit verdienen. Er is het aspect van de audities, het onmiskenbare belang van de juiste contacten te hebben. Er is de noodzaak je juist te omringen door mensen en agentschappen die jouw belangen behartigen. Ik ben daar allemaal mee bezig. Ik heb nog geen  exclusiviteitscontract maar ik werk op losse basis met een aantal agenten uit Amsterdam en Wenen. Heel veel externe factoren dus kunnen een carrière maken of kraken. En zoals ik daarnet meldde is er ook ‘Dame Fortuna’ die soms best eens om de hoek moet komen kijken. Ik probeer in de mate van het mogelijke mijn carrière zelf te sturen door vooral rustig te werken, goed uit te kiezen wat te aanvaarden en wat af te houden. Ik kreeg bv. een voorstel van de Opera van Zurich om er een jaar te gaan zingen, maar ik vind dit te vroeg. Ik moet eerst mijn opleiding afmaken, blijven investeren en groeien zonder stappen over te slaan. Ik aanvaard daarom ook niet alle opdrachten en wil de juiste keuzes voor mijn toekomst maken.” Dm: Een volgende etappe is deelname aan de koningin Elisabethwedstrijd volgend jaar. Met welke  ambitie begin je aan zulk een avontuur? Charles D.: “Ik vind dat je altijd het hoogst mogelijke moet ambiëren. Anders blijf je beter thuis. Ik wil daar echter niet mee gezegd hebben dat ik mijn kansen hoog inschat. Aan de Elisabethwedstrijd nemen een paar honderd kandidaten deel. Ze moeten voor januari een dvd opsturen en de jury selecteert hieruit de besten voor de volgende ronde. Na de halve finales plaatsen twaalf zangers zich voor de ultieme finale. Een finaleplaats zou voor mij al een hele prestatie zijn. Alles wat hoger is, is een onverhoopt succes. Het is vooral een eer om de finale van zo’n prestigieuze wedstrijd, in eigen land dan nog, te mogen zingen. Internationaal schat ik ook de Operalia, zangwedstrijd van Placido Domingo, als heel belangrijk in. Ik hoop er te staan in de Bozar. Ik zal er alvast naar verwijzen in mijn droomboekje. Dm: Droomboekje? Charles D.: “Ik ben jaren geleden begonnen aantekeningen te maken in een schriftje. Heel snel kwamen daar tekeningen bij en soms ook foto’s van plaatsen waar ik hoopte ooit op de scène te staan. Een beetje kinderachtig misschien maar bizar genoeg kwam alles wat ik in dat schriftje noteerde, kort daarna uit. Dus misschien helpt een foto van een volle Bozar met een applaudisserend publiek, je weet maar nooit...”  Interview Daeninck Magazine Herfst/Winter 2013 – Jaargang 2 – Nummer 4